Zorgtoeslag voor (half)wezen

Een kind heeft een of beide ouders verloren (vanaf 2019)

Een kind dat beide ouders verliest, ontvangt bovenop het basisbedrag van 166,46 euro een wezentoeslag van 166,46 euro. Verliest een kind één ouder, dan krijgt het bovenop het basisbedrag van 166,46 euro een wezentoeslag van 83,23 euro.

Beide toeslagen worden betaald zolang het kind recht heeft op de gezinsbijslag, dus ook voor de kinderen van wie de overlevende ouder eventueel een nieuw gezin vormt.

Een voorbeeld: Luca wordt geboren op 6 april 2019. Haar moeder Oana overlijdt op 9 september 2019. Luca woont bij haar papa Ivan en zij heeft vanaf september 2019 recht op een wezentoeslag van 83,23 euro per maand. Ivan gaat op 29 juli 2020 samenwonen met zijn vriendin Jitske. Luca behoudt de wezentoeslag van 83,23 euro.

Kinderen die hun ouder(s) verloren voor 2019, behouden hun wezentoeslag volgens de oude regelgeving (verhoogde wezenbijslag) zolang de overlevende ouder niet gaat samenwonen of hertrouwt.

Een voorbeeld: Patrick, de man van Marijke is overleden op 5 mei 2017. Hun zoon Senne heeft recht op de verhoogde wezenbijslag. Op 10 maart 2019 gaat Marijke samenwonen met haar nieuwe partner Michaël. Senne heeft vanaf april 2019 recht op de gewone wezenbijslag. Op 6 juli 2019 gaat Marijke terug alleenwonen. Senne heeft opnieuw recht op de verhoogde wezenbijslag.